vogel
mannelijk (de)/ˈvoɣəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (dierkunde) gewerveld dier behorend tot de klasse met twee vleugels, twee poten, een snavel en een met veren bedekt lichaam dat zich voortplant door het leggen van eierenEr zaten twee vogels op het dak van de schuur.Het gaat Jetten om de gevolgen voor het onderwaterleven tijdens de bouw. Vissen en zeezoogdieren kunnen bijvoorbeeld last hebben van het heien. Maar ook als de molens in bedrijf zijn, kunnen er gevolgen zijn voor dieren zoals vogels en vleermuizen, die gehinderd worden door de draaiende wieken.
- , (informeel) iemand (vaak van het mannelijk geslacht) die ongewoon overkomt, bijzonder of merkwaardig persoonHee vogel, wat doe jij daar?Ik nam deze nieuwe vogel eens goed op, zijn manier van doen kwam me heel bekend voor maar ik kon niet direct bedenken op wie hij leek.
Etymologie
* (erfwoord) Ontwikkeld uit Oudnederlands "fogal", "uogala" , in de betekenis van ‘gewerveld dier met veren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 701
Uitdrukkingen
- Vogels van diverse pluimage — mensen met allerlei diverse achtergronden
- Aan de veren kent men de vogel — aan het uiterlijk (verzorging/kleding) kun je zien met wat voor iemand je te maken hebt. De kleren maken de man.
- De vogel is gevlogen — de dader is was al weg (of gevlucht)
- De vogel over het net laten vliegen — goede kansen niet aangrijpen
- Een gladde vogel — iemand die zich overal weet uit te redden op slinkse wijze
- Een slimme vogel — een handig persoon met overal een oplossing voor
- Een vliegende vogel heeft altijd meer dan een zittende — iemand die veel buitenkomt krijgt altijd meer dan iemand die thuis blijft zitten
- Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht — Men moet datgene wat men heeft niet op het spel zetten voor een kleine kans om nog meer te krijgen
Vertalingen
Engelsbird
Fransoiseau
DuitsVogel
Spaanspájaro, ave
Italiaansuccello
Russischптица
Chinees鸟
Japans鳥, とり, tori
Koreaans새
Arabischطائِر
Turkskuş
Poolsptak
Zweedsfågel
Deensfugl
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek