voetenplank
mannelijk/vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- plank waarop men de voeten kan laten rustenHij zag juffrouw Gonna aan de hals van haar moeder hangen, meester van Houten instappen ook, de koffer in de voetenplank beuren bij Nijs.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek