Voeren

/ˈvurə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) geleiden, ergens heen brengen
    De gijzelaar werd geblinddoekt naar het schavot gevoerd.
  2. ov, kleding (ov), (kleding) aan de binnenkant van een isolerende laag voorzien
    Deze jas is met bont gevoerd.
  3. ov, voeding, dierkunde (ov), (voeding), (dierkunde) dieren te eten geven
    Wanneer ga je de kat voeren?
  4. ditr, voeding, dierkunde (ditr), (voeding), (dierkunde) als voedsel verstrekken
    Voer dat maar aan de varkens!
  5. ov (ov) iemand (m.n. een jong kind) eten in de mond stoppen
    Het duurt uren om Jantje te voeren.
  6. een gesprek voeren: converseren
    We drinken wijn, voeren een min of meer coherent gesprek over de veranderende buurt, veranderende carrièreplannen.
  7. oorlog voeren:vechten in een gewapende strijd
    Volgens sommige historici ontstond het gymnasium mede door een nieuwe manier van oorlog voeren waarvoor fysieke training noodzakelijk was, anderen denken eerder dat door het gymnasium ook groepen buiten de elite fysiek 'kapitaal' konden verwerven.

Etymologie

# >voe(de)ren

Uitdrukkingen

  • De vlag voerenStoett-2422 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
  • Staat voerenStoett-2150 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]

Vertalingen

Engelsconduct, line, fother
Fransnourrir, affourrager, nourrir
Duitsleiten, führen, geleiten
Spaansaforrar, forrar, alimentar
Deensføre, gelede, fore