vloot
mannelijk/vrouwelijk (de)/vlot/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) groep bij elkaar horende schepenDe Britse vloot versloeg in 1805 de Frans-Spaanse vloot bij het Spaanse Trafalgar.
- (luchtvaart) groep bij elkaar horende vliegtuigenDe vliegtuigmaatschappij heeft een aantal nieuwe vliegtuigen aan haar intercontinentale vloot toegevoegd.
- (huishouden) ondiepe kuip of ondiep bakje, met name gebruikt voor het bewaren van "boter"Kun jij me de vloot met boter geven?
Etymologie
**[1] in de betekenis van ‘samen varende schepen’ voor het eerst aangetroffen in 1376
Vertalingen
Engelsfleet
Fransflotte
DuitsFlotte
Spaansflota
Italiaansflotta
Deensflåde
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek