vloeken

Betekenis

werkwoord
  1. uitroepen van vloekwoorden, beledigende taal gebruiken
    Hij vloekte binnensmonds.
    Als hij even later in een file vast komt te staan, vloekt en tiert hij op het verkeer.
    Vloekend dat ik weer in zo’n onaangename situatie was verzeild, daalde ik strompelend hetzelfde pad af dat ik een uur geleden had beklommen.
  2. niet bij elkaar passen
    Het rood vloekt een beetje bij het oranje.
    Rechte lijnen vloeken met de natuur.

Etymologie

*afgeleid van vloek

Vertalingen

Engelsswear, blaspheme, curse
Fransjurer
Duitsfluchen
Spaansblasfemar, renegar, maldecir