vloeien

/ˈvlujə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) zacht stromen
    De honing was uit de omgevallen pot gevloeid.
  2. inerg (inerg) (gezegd van papier) inkt opzuigen
    Het goedkope papier vloeit zo sterk dat je geen vulpen kan gebruiken.
  3. ov (ov) met vloeipapier droogmaken
    Hij vloeide voorzichtig het opstel dat hij met zijn kroontjespen geschreven had.
  4. erga, fysiologie (erga) (fysiologie) bloeden uit je vagina (bij menstruatie of door een aandoening)
    Eenmaal ongesteld had ik hier echt enorm last van, zelfs zoveel last dat ik elke maand ziek thuis in bed lag, ik vond het echt verschrikkelijk en had heel veel last van buikpijn, steken en heel erg vloeien.

Etymologie

*van Middelnederlands "vloeyen", in de betekenis van ‘stromen’ aangetroffen vanaf 1240

Vertalingen

Engelsflow
Franscouler
Duitsfließen
Spaansmanar, fluir