vliegtuig
onzijdig (het)/ˈvlixtœyx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verkeer) (luchtvaart) vervoermiddel dat speciaal ontworpen is voor het reizen door de luchtReist u vaak per vliegtuig?Zodra ik in Palermo uit het vliegtuig stap, slaat de warmte me in het gezicht.In het vliegtuig las ik pas de reisinformatie.
Etymologie
* , in de betekenis van ‘vliegmachine met vaste vleugels’ aangetroffen vanaf 1911
Vertalingen
Engelsairplane, aeroplane, plane
Fransavion
DuitsFlugzeug
Spaansavión, aeroplano
Italiaansaereo, aeroplano
Portugeesavião, aeroplano
Russischсамолёт, аэроплан
Chinees飛機, 飞机
Japans飛行機, 航空機
Koreaans비행기
Arabischطائرة
Turksuçak, tayyare
Poolssamolot
Zweedsflygplan
Deensflyvemaskine
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek