vleesplank
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈvlesplɑŋk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een plank om vlees op te snijden
Uitdrukkingen
- (geen) Vlees de plank hebben. — Door de armoede aten mensen maar een keer per week vlees.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek