vleeshouwer

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) iemand die vee slacht en het vlees verkoopt
    De varkens en ganzen zullen vrij door de straten drentelen. Een mysterieuze nevel hangt over middeleeuws Holten. Zakkenrollers worden onherroepelijk aan de schandpaal genageld en de vleeshouwer prijst op de jaarmarkt zijn bloedworst aan. Zo moet het ongeveer zijn als bezoekers op 18 en 19 juni door de tijdpoort bij de Nederlands Hervormde Kerk wandelen. De middeleeuwen zijn het thema van het eerste Midzomer Festival.Tubantia 24-FEBRUARI-2011
    Als het niet kan zoals het moet dan moet het maar zoals het kan. Het zou de filosofie kunnen zijn van slager c.q. vleeshouwer Hubert Nijland uit Saasveld. Want hij verhuist met zijn vleeshouwerij in april van het volgend jaar min of meer noodgedwongen van de huidige locatie aan de Tipweg in het buitengebied van Saasveld naar een - bestaand - pand aan de Drosteweg aan de rand van het dorp.Tubantia 18-SEPTEMBER-2010,

Vertalingen

Engelsbutcher