vitriool

/vitriˈjol/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheikunde, verouderd (scheikunde) (verouderd) benaming voor mineralen die sulfaat (SO4) bevatten
    Zwavelzuur werd geproduceerd door verhitting van de kristallen van groene vitriool (gehydrateerd ijzersulfaat), bekomen door behandeling van het ijzersulfide afkomstig van de destillatie van het pyriet.
  2. scheikunde, verouderd (scheikunde) (verouderd) zeer bijtende zure oplossing van diwaterstofsulfaat (H2SO4)
    Dit interesseert me wel: man begoot zijn vrouw met vitriool omdat hij dacht dat ze hem bedroog...
  3. figuurlijk (figuurlijk) getoonde bijtende aggressie
    In Bezette Stad rekende de dichter nog met veel vitriool af met het burgerdom, maar tijdens zijn laatste jaren nam hij ook hier een afstandelijker houding aan.

Etymologie

* via Middelnederlands van "vitriol"

Uitdrukkingen

  • de pen dopen in vitrioolop venijnig aanvallende manier schrijven