vis-à-vis
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌvizaˈvi/
Betekenis
voorzetsel
- direct tegenoverVol vertrouwen liep hij het zaaltje in en ging vis-à-vis de examinator zitten.
- ten aanzien vanZijn opvattingen vis-à-vis het communisme veranderden niet.
zelfstandig naamwoord
- iemand die direct tegenover zit of staatTijdens de treinreis had hij een boeiend gesprek met zijn vis-à-vis.
- toestand waarin men recht tegenover elkaar zit of staatDe vis-à-vis met zijn ondervrager duurde eindeloos.
- (geschiedenis) bankje met S-vormige leuning waarop twee mensen tegenover elkaar kunnen zitten
- (geschiedenis) rijtuig waarin twee passagiers tegenover elkaar zitten
- (geschiedenis) type auto waarin de passagiers tegenover elkaar zitten
zelfstandig naamwoord
- (muziek) klavecimbel voor twee bespelers die tegenover elkaar zitten, elk met een eigen klavier
- tegenover elkaar
Etymologie
#direct tegenover elkaar, met de gezichten naar elkaar toe
Vertalingen
Fransvis-à-vis
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek