vijver
mannelijk (de)/ˈvɛivər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- tamelijk klein door de mens aangelegd waterTerwijl ik goedkeurend met mijn vinger langs de vergulde lambrisering streek, de dikte voelde van de stof van de zware, oker overgordijnen en de stoel wegschoof om de openslaande deuren te openen naar het terras, dat uitzicht bood op de rozentuin, of wat daarvan over was, en de vijver met de defecte fontein, bedacht ik dat ik nog tijd genoeg zou hebben om deze kamer en detail te beschrijven.
Etymologie
* via Middelnederlands "vivere" en Oudnederlands van "viver" (modern "vivier"), in de betekenis van ‘waterbekken’ voor het eerst aangetroffen in 1336, als deel van een plaatsnaam vanaf 1165
Vertalingen
Engelspond
Fransvivier, étang
DuitsTeich, Weiher
Spaansestanque
Russischпруд
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek