vijfvoud

onzijdig (het)/ˈvɛifɑut/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vijfmaal het genoemde
    En zo lopen ze donderdagmiddag met een flinke dossiertas het statige pand aan de Kneuterdijk in Den Haag binnen. Hun pleitnota hebben ze in vijfvoud uitgeprint. Goede voorbereiding is van belang. Niet alleen zullen ze hun standpunt moeten toelichten tegenover drie erudiete juristen van de Raad van State, ze nemen het ook nog eens op tegen een van ’s lands meest bekende strafpleiters. „Engel doet het woord”, zegt Wiersma. „Ik ben niet helemaal fit. Een griepje.”NRC Freek Schravesande 5 januari 2017 [https://www.nrc.nl/nieuws/2017/01/05/twee-keer-niet-dat-gaat-echt-niet-6072848-a1539986 Twee keer ‘niet’. Dat gaat echt niet]

Etymologie

* afgeleid van vijf

Vertalingen

Engelsquintuple