vijftig

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈfɛiftəx/

Betekenis

telwoord
  1. "50", het getal tussen negenenveertig en eenenvijftig, vijf maal tien
  2. om een hoeveelheid aan te geven
    De totale kosten bedragen vijftig euro en zevenendertig cent.
    Er cirkelden een heleboel vliegen om de paarden heen dus ik zette mijn tent vijftig meter van het vuur op.
  3. om een plaats in een volgorde aan te geven
    Het juiste antwoord op opgave vijftig is "42".
    In de jaren vijftig en zestig was de Nationale 7 ook de vrolijkste weg van Frankrijk, de route des vacances voor miljoenen Fransen die voor het eerst op vakantie naar het Zuiden konden.
zelfstandig naamwoord
  1. dat wat in een (rang)ordening met 50 is aangeduid
    Het is weer de vijftig die het niet doet, kunnen we die niet simpel vervangen?
    Haar eenenvijftigste verjaardag was een belangrijk moment, want haar leven werd heel anders toen ze de vijftig eenmaal voorbij was.
  2. groep van 50 eenheden
    De vijftig zijn natuurlijk blij, maar laten we ook denken aan het verdriet van de vier die zijn afgewezen.

Etymologie

* via Middelnederlands "vijftich" van Oudnederlands "fīftig", als telwoord voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236; afgeleid van "vijf"

Vertalingen

Engelsfifty
Franscinquante
Duitsfünfzig
Spaanscincuenta
Italiaanscinquanta
Portugeescinquenta
Russischпятьдесят
Turkselli
Poolspięćdziesiąt
Zweedsfemtio
Deenshalvtreds