vide
vrouwelijk (de)/ˈviːdə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) hoge open ruimte over meerdere verdiepingen in een gebouwHet is een groot huis met een T-vormige kamer van vijf bij twaalf en vijf bij zes meter, een keuken van dertig vierkante meter en een hal met vide van dertig vierkante meter waar alles op uitkomt. Boven drie slaapkamers met bad en in de kelder een logeerkamer ook met bad.
zelfstandig naamwoord
- (verouderd) (religie) officiële opgaveDe getelde penningen, door eenen der Broederen geboekt zynde, worden, nevens een Vide of Lyst der specie, door de Tellers getekend, in Kistjes, aan 't huis van den President gebragt, en, terstond nadat hy afgegaan is, aan zynen opvolger, verantwoord.Van 't gene den Broederen, uit naame van den Kerkenraad, bekend gemaakt wordt, geeven zy, terstond, met een Vide of briefje, kennis aan den Praeses, die de Vide aan den Scriba behandigt, door wien dezelve genotuleerd, en ten volgenden Dingsdage, in de volle Vergadering, voorgelezen wordt.
voorzetsel
- zie gebruikt in een tekst om te verwijzen naar een vindplaats eldersGelet op de verklaring van het plaatselijk hoofd van politie Betrian komt de vraag naar voren wie toch bevoegd is de consenten af te geven; is hierin verandering gekomen; waarom en door wie geëntameerd? Vide artikel 4 van het vuurwapenbesluit.
Etymologie
*[zelfstandig naamwoord B en tussenwerpsel] van Latijn "vide", gebiedende wijs van "videre" "zien"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek