viaticum

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vergoeding die een dominee ontvangt voor het houden van een preek
    Ooit heette de preekvergoeding in keurig kerklatijn ”viaticum”, teerkost voor onderweg. Daar was vooral het reisgeld mee bedoeld. Het is inderdaad reëel dat er in de gemaakte uitgaven wordt voorzien. De vervoerskosten rijzen de pan uit.
  2. communie gegeven aan een stervende als deel van de laatste sacramenten

Etymologie

* uit het Latijn

Vertalingen

Engelsviaticum