verzoendag

mannelijk (de)/vərˈzundɑx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) feestdag waarop een jood zich rekenschap kan geven van zijn tekortkomingen en daarvoor boete kan doen
    De Nieuwemaansdag is dus tevens een soort verzoendag.
  2. figuurlijk (figuurlijk) dag waarop rekenschap wordt afgelegd van gemaakte fouten, zodat er een eind komt aan onenigheid
    De onthullingen over dopingpraktijken in het oosten en westen van Duitsland nemen zulke bedreigende vormen aan, dat de voorzitter van de Duitse sportbond Hans Hansen in zijn twaalf-punten-programma een nationale verzoendag heeft voorgesteld. Hij wil dat iedereen op 15 december in Hannover zijn geweten ontlast. 'Nu hebben we de kans het kwaad bij de wortel aan te pakken. Iedereen die te maken heeft met de sport in oost en west wordt opgeroepen alles naar buiten te brengen.
    {{ouds

Etymologie

*vernederlandst (jom kipoer) "dag van verzoening", , gebruikt als soortnaam