verzekeren

/vərˈzekərə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) verklaren dat iets toekomstigs met zekerheid te verwachten is
    Hij verzekerde dat er geen ontslagen zouden vallen.
    Alsof hij zich verantwoordelijk voelde voor de hele schepping, verontschuldigde hij zich voor de argwaan in de moderne wereld, die hem ertoe verplichtte bepaalde formaliteiten in acht te nemen, maar hij verzekerde mij dat we daar later nog een geschikt moment voor konden vinden, wanneer ik zou zijn uitgerust van mijn verplaatsing.
    'Als je zo midden in de nacht naar beneden springt met een parachute, ja ik weet er niets van, maar ik neem aan dat het midden in de nacht moet zijn, dan ben je toch enorm bang?' Hij verzekerde haar dat hij niet bang zou zijn.
  2. ov, juridisch, financieel (ov), (juridisch), (financieel) tegen betaling van een (meestal vaste) premie een contract afsluiten bij een verzekeringsmaatschappij, waarbij bepaald wordt dat bij eventuele schade gedekt zal worden
    Zij hadden gelukkig hun reis verzekerd zodat zij bij dat ongeluk hulp konden inroepen.

Etymologie

*Afgeleid van zekeren .

Vertalingen

Engelsaffirm, assert, assure
Spaansaducir, afirmar, aseverar