verstoppen

/vər'stɔpə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets ~: iets stoppen waar het niet gemakkelijk gevonden zal worden
    De paaseieren waren in de tuin verstopt .
  2. erga (erga) een nauwe gang of buis blokkeren
    De afvoer van het toilet verstopte doordat er papier in gegooid was dat niet in water uiteenviel.
  3. refl (refl) zich ~ een schuilplaats vinden
    Hij had zich achter de bank verstopt.
  4. enz.

Etymologie

*Afgeleid van stoppen

Vertalingen

Engelshide, stash, plug
Franscacher
Duitsverstecken, verstopfen
Spaansesconder, ocultar