versieren

/vərˈsirə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets meer aantrekkelijk of mooier maken
    Zij versieren de huiskamer voor de verjaardag van hun zoontje.
  2. ov (ov) langs (veelal officieuze) weg regelen
    Hij wist nog mooie plekken voor het concert te versieren.
  3. ov, informeel (ov) (informeel) verleiden van iemand van wie je houdt
    Hij probeerde een collega te versieren.
    Het meisje dat het liefst door mij gevangen wilde worden, heette Lena Andersson en ik vond haar de mooiste van hen allemaal. Clark, die een kei was met meisjes, zei dat ik haar wel kon versieren.

Etymologie

*van Middelnederlands """, op te vatten als afgeleid van "sieren" , in de betekenis van ‘tooien’ aangetroffen vanaf 1285

Vertalingen

Engelsadorn, hit on, chat up
Fransallumer, draguer
Duitsanmachen
Spaansadornar, acicalar, camelar
Italiaansrimorchiare
Portugeesadornar
Zweedspryda, smycka