verluiden

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. ov, verouderd (ov) (verouderd) het luiden van klokken —al of niet van de kerk— naar aanleiding van het overlijden van iemand
    In Drenthe verluidden de buren vaak hun overleden buurman, hoewel de kerk over dit gebruik van heidense oorsprong niet altijd te spreken was.
  2. ov (ov) hard laten klinken
    En kort praatte d'r knorrig verluide stem, waarin ook iets moe-verdrietigs was, 'n terechtwijzing tegen Cootje die erg ruw met Gon's boeltje leefde.
  3. verouderd (verouderd) zich laten ~ kennis geven van iets
    Hij liet zich verluiden dat hij in het huwelijk ging treden.
  4. horen ~ op een of andere wijze vernemen
    Ik heb horen verluiden dat hij gaat scheiden.
  5. onpr (onpr) naar ~: zoals vernomen is (vaak uit onduidelijke of mogelijk niet geloofwaardige bron)
    Naar verluidt gaat hij scheiden.

Etymologie

*afgeleid van luiden

Uitdrukkingen

  • naar verluidt.

Vertalingen

Engelstoll, reportedly
Spaansrepicar, supuestamente