verloofde

mannelijk/vrouwelijk (de)/vərˈlovdə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die toegezegd heeft met een partner in het huwelijk te willen treden
    Hij ging met zijn verloofde op vakantie.
    Of een gesneuvelde marineofficier een rouwende verloofde of een rouwende vrouw achterliet, maakte niet uit, mocht het ergste zich voordoen.

Etymologie

*Afgeleid van verloofd

Vertalingen

Engelsfiancé, fiancée
Fransfiancé, fiancée
Spaansprometido, prometida, novia
Poolsnarzeczony, narzeczona
Zweedsfästman, fästmö