verlofperiode

vrouwelijk (de)/vərˈlɔfperiˌjodə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tijdperk dat men niet hoeft te werken of geen dienst hoeft te doen
    Ze waren in dienst van de overheid of het leger en keerden na een verlofperiode terug.
    Nieuwsuur sprak hem vlak voordat hij met zijn eenheid na een korte verlofperiode zou terugkeren naar het front. Hij sprak toen openhartig over zijn angsten: "Ik ben heel bang. Doodsbang. Maar als we niet vechten is er geen Oekraïne meer."