verlegenheid

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het verlegen zijn
  2. een moeilijke, schaamte veroorzakende situatie
    Hij was vijfenzestig geworden, dan was het niet langer gepast. Dat nam niet weg dat het een observatie was die niet te vermijden viel, en wat hij bij zichzelf in zijn zolderkamer dacht kon niemand schaden of in verlegenheid brengen.

Etymologie

* afgeleid van verlegen