verkramptheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin iemand gespannen is
    Ik had definitief gekozen voor de verkramptheid van de schrijftafel en de valse ontspanning van het stadscafé.
    Het is vermoedelijk dat juk van verkramptheid dat zaterdag even te krap zat bij mevrouw Brogno, waarschijnlijk maandenlang ingefluisterd door haar vriend. Niet goed te praten, wel een onvermijdelijk gevolg van het werkklimaat op Het Kasteel. En kijkt u er niet van op, als het niet bij dit ene aardschokje blijft.

Etymologie

* afleiding van verkrampen