verdubbelen

/vərˈdʏbələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) tweemaal zo groot worden
    De winst verdubbelde in dat kwartaal.
    Het aantal foodtruckondernemingen is in vijf jaar tijd ruim verdubbeld. In 2017 waren er bij de Kamer van Koophandel (KvK) nog 1189 ondernemingen met een foodtruck ingeschreven, inmiddels zijn dat er 2495. Tijdens de coronacrisis hield de groei van het aantal foodtrucks aan.
  2. ov (ov) tweemaal zo groot maken, vermenigvuldigen met twee
    Zij hebben hun inspanningen verdubbeld.
  3. refl (refl) zich ~ tweemal zo groot worden.
    Hun aantal verdubbelde zich.

Etymologie

*afgeleid van dubbelen

Vertalingen

Engelsdouble
Fransdupliquer
Spaansduplicar