verbouw

mannelijk (de)/ˈvɛrbɑu/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) activiteit waarbij de constructie van een gebouw ingrijpend wordt veranderd
  2. landbouw (landbouw) activiteit waarbij een landbouwgewas wordt opgekweekt om het te kunnen oogsten

Etymologie

*: "verbouwen" zonder de uitgang -en