verblijf

onzijdig (het)/vərˈblɛif/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het verblijven
    Ik zou graag mijn verblijf willen verlengen.
    Mocht u iets nodig hebben, volstaat het aan het schelkoord te trekken dat naast de deur hangt. Ik wens u een aangenaam verblijf toe in Grand Hotel Europa.'
    Er waren maar drie regels in haar Hippie Daycare: iedereen moest een Hawaii shirt aan tijdens het verblijf in haar tuin, je kon tegen een kleine donatie ’s avonds Mexicaans mee-eten en om tien uur moest je stil zijn voor de buren.
  2. een onderkomen
    Dit is mijn verblijf voor de komende paar maanden.
    Zeeleeuwen weg uit Artis, PvdD had geklaagd over verblijf De laatste drie Californische zeeleeuwen in Artis gaan de dierentuin verlaten.

Vertalingen

Engelsabode, stay
Spaansestadía, estancia, permanencia