venster

onzijdig (het)/ˈvɛnstər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek, bouwkunde (techniek), (bouwkunde) opening in de wand of muur van een gebouw, waardoor licht naar binnen kan, vaak voorzien van lucht- en waterdicht materiaal als glas
  2. informatica (informatica) rechthoekig deel van een scherm waarin de werking van een bepaald programma te zien is (bij computers waarop een gebruiker meerdere programma's naast elkaar kan bedienen)

Etymologie

*[2] als leenvertaling van "window"

Uitdrukkingen

  • Door een hennepen venster moeten kijkenopgehangen worden

Vertalingen

Engelswindow
Fransfenêtre
DuitsFenster
Spaansventana
Italiaansfinestra
Portugeesjanela
Russischокно
Chinees
Japans
Arabischنَافِذَة‎, شُبَّاك‎, طَاقَة‎
Turkspencere
Poolsokno
Zweedsfönster
Deensvindue