vatten

/ˈvɑtə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) vastgrijpen, beetkrijgen
    Hij vat de dief bij de kraag.
  2. ov (ov) begrijpen
    Vat je het?
  3. iets opdoen, iets krijgen
    Straks vat je nog kou zonder jas!
    Na alle commotie lag ik nog lang te woelen en kon ik de slaap niet vatten.

Etymologie

*van Middelnederlands "vaten"

Uitdrukkingen

  • de koe bij de hoorns vatten
  • kou vatteneen verkoudheid opdoen
  • vlam/vuur vattenin brand vliegen
  • de slaap vattenin slaap vallen

Vertalingen

Engelscatch, seize, understand
Fransprendre, saisir, comprendre
Duitsergreifen, festnehmen, verstehen
Spaanscoger, agarrar, comprender