vastzetten

/ˈvɑ(st)sɛtə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets zodanig vastmaken dat het niet meer bewegen kan
    Bij het aanmeren van het schip moest men eerst het schip vastzetten voordat men kon overladen.
    Als ze de stammen te veel verwarmden, zodat er kokend sap en hars naar buiten begon te dringen, werden de houtvezels te zacht en konden ze de bouten niet meer vastzetten, het was alsof je schroeven in een spons drukte.
  2. ov, financieel (ov) (financieel) geld op een spaarrekening zetten voor een bepaalde tijd waarbij men niet vrijelijk over het geld kan beschikken
  3. ov (ov) iemand in een gevangenis opsluiten

Vertalingen

Engelsaffix, block, blockade
Spaansapear, asegurar, bloquear