vaststaan

/ˈvɑ(st)stan/

Betekenis

werkwoord
  1. zeker zijn
    De investeringsmaatschappij trekt alleen geld uit voor projecten waarvan vast staat dat ze geld opbrengen.
  2. onveranderlijk zijn, onbeweegbaar stilstaan
    Uit uw woorden blijkt dat uw besluit vast staat.
    De auto bleef op de spoorwegovergang vaststaan.
    Bij de spaarloonregeling moet het gespaarde geld vier jaar vaststaan.

Vertalingen

Duitsfestliegen, feststehen
Spaansconstar