vastpakken

/ˈvɑs(t)pɑkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets of iemand grijpen en vasthouden
    Hij had het kind stevig in zijn armen vastgepakt.

Vertalingen

Engelscatch, hold
Franssaisir
Duitsenfassen, ergreifen
Spaanscoger, agazapar