vastpakken
/ˈvɑs(t)pɑkə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) iets of iemand grijpen en vasthoudenHij had het kind stevig in zijn armen vastgepakt.
Vertalingen
Engelscatch, hold
Franssaisir
Duitsenfassen, ergreifen
Spaanscoger, agazapar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek