varia

meervoud/ˈvariˌja/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verschillende zaken, verzamelterm voor ongelijksoortige dingen
    De bibliotheek wil het archief van de Rotterdamse Kring van Auteurs niet afstaan aan het Letterkundig Museum in Den Haag, want daar zou het gehele archief uit elkaar gehaald worden. Documenten van Blaman bij J.P. Vrugt, documenten van Kossmann bij de Kossmann-collectie en een restgroepje in knipselmappen of varia.

Etymologie

*, van Latijn "varia", zelfstandig gebruikt onzijdig meervoud: "verschillende zaken", in de betekenis van ‘mengelwerk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824