Van
/vɑn/
Betekenis
voorzetsel
- geeft bezit aanDie fiets is van mij.
- geeft herkomst aanHij komt van ver.
- geeft oorzaak aanHij verrekte van de honger.
- tussenvoegsel in familienamenDe namen van de voetballers Willem van Hanegem en Franky Van der Elst laten een verschil in schrijfwijze tussen Nederland en Vlaanderen zien.
- quotatief: luidt een citaat of gedachte in (synoniem: "als")Ik heb zoiets van: "Nu of nooit!"
- geeft een eigenschap aanDit is een hemd van katoen.De titel van het boek is "In de ban van de ring".
- geeft het tijdsbestek aan waarbinnen iets gebeurtWij gaan van de zomer naar Frankrijk.
- ook: van … af: (Belgisch-Nederlands) geeft het begin van een tijdsverloop aan, sindsJohan is van zijn jeugd al actief betrokken bij alles wat natuur in het hart draagt.
Etymologie
:: von, (: fona, fon), Oudsaksisch: fana, fan, : fan (Oudfries: fan, fon)
Uitdrukkingen
- als ik van u was
- een koekje van eigen deeg krijgen
- er het hart van in zijn
- gewend van
- hart van koekebrood
- met inbegrip van
- naar aanleiding van
- omwille van
Vertalingen
Engelsof, from
Fransde, de
Duitsvon, von
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek