val

mannelijk (de)/vɑl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. algemeen: het omlaag gaan, de daling
  2. ten gevolge van de zwaartekracht naar beneden gaan
    Hij bleek manisch-depressief te zijn en was gedeeltelijk verlamd geraakt na een val van een hoog gebouw.
    Ik zou het liefst door de liefde willen opstijgen, denkt Nella, omhoog naar de wolken, zonder val naar de aarde.
  3. het ten gevolge van de zwaartekracht onvrijwillig ergens op terecht komen
  4. hoogte van waarvandaan iets naar beneden valt
  5. van zijn macht beroofd worden; ondergang
    Toen de wereldopinie zich na de val van Srebrenica en de genocide van duizenden moslimmannen tegen de Bosnische Serviërs keerde, wist Paul als goed opgeleid officier dat het einde van de oorlog in zicht was en dat er een Neurenberg van Joegoslavië zou volgen.
    Hierna verloren de wagenrennen snel aan betekenis, al bleef het hippodroom in Constantinopel in gebruik tot aan de val van het Byzantijnse rijk.
  6. richting van de stof, waarbij de figuren op de stof naar beneden gaan
  7. fruit dat uit de boom gevallen is, niet geplukt is
  8. beweegbare vloer van een ophaalbrug
  9. waterbeheer (waterbeheer) verkorte vorm voor dijkval of oeverval
    De bewoners trokken weg uit vrees voor een valPZC, 29 juni 2002: [https://krantenbankzeeland.nl/issue/pzc/2002-06-29/edition/null/page/57 Dijkval verhaalt van kracht en onmacht rond de dijken]
  10. (Limburg) een naamval
zelfstandig naamwoord
  1. apparaat met een vallende deur of klem, met als doel bepaalde dieren te vangen
  2. afhangende zoom of strook, bijvoorbeeld van gordijnstof voor een raam ter versiering of tegen de inkijk
  3. figuurlijk (figuurlijk) hinderlaag, valstrik
    Alsof de ouders erin zijn geluisd, alsof ze hadden kunnen ontsnappen - als ze maar niet in de val van het vaderschapsverlof waren getrapt.
    ' Ik geef haar een knikje om te laten weten dat ik haar heb gehoord, en ga bij mezelf na: wat is eigenlijk houden van? Is het dat de ander doet wat jij wilt? Of juist dat je kunt accepteren dat de ander iets doet wat jou niet aanstaat en dat je toch aanwezig blijft, in liefde? Ik begrijp heel goed wat Bibi bedoelt, maar ik kan het niet goed rijmen dat zij deze wijsheid bezit en ernaar handelt, terwijl ik op mijn zesenveertigste nog steeds in de val trap die ik het 'Anne Frank-telefoontje' noem.
zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) zeilval, lijn waarmee een vlag, zeil of rondhout gehesen kan worden

Etymologie

* Leenwoord uit het Romani, in de betekenis van ‘Bargoens: deur’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1769

Uitdrukkingen

  • Een oude rot in de valStoett-1957 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
  • Hoogmoed komt voor de valiemand die erg trots is of hoogmoedig, krijgt gauw de bijbehorende ellende
  • In de val lopen ( of geraken)In een hinderlaag lopen; betrapt worden
  • als een rat in de val zitten

Vertalingen

Engelsfall, fall, fall
Franschute, descente, chute
DuitsFalle