vakantietijd
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- periode van het jaar dat men gewoonlijk vrij heeft en op vakantie kan gaanOver een uur is hij klaar met werken, het is vakantietijd en er is niet veel te doen bij Weber Piano & Pianola Co.In Zeeland moeten alle vakantieparken, campings en b&b's ook dicht. "Als er veel mensen naar Zeeland komen, zal dat de zorgdruk enorm vergroten. Blijf thuis. Het is geen vakantietijd, maar crisistijd", zegt voorzitter Jan Lonink van de Veiligheidsregio Zeeland.
Vertalingen
Engelsvacation season, holiday period, vacation period
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek