vakantietijd

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. periode van het jaar dat men gewoonlijk vrij heeft en op vakantie kan gaan
    Over een uur is hij klaar met werken, het is vakantietijd en er is niet veel te doen bij Weber Piano & Pianola Co.
    In Zeeland moeten alle vakantieparken, campings en b&b's ook dicht. "Als er veel mensen naar Zeeland komen, zal dat de zorgdruk enorm vergroten. Blijf thuis. Het is geen vakantietijd, maar crisistijd", zegt voorzitter Jan Lonink van de Veiligheidsregio Zeeland.

Vertalingen

Engelsvacation season, holiday period, vacation period