vacht
mannelijk/vrouwelijk (de)/vɑxt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- dichte lichaamsbeharing bij dierenMet het vilmes stroopte hij de rode vacht van de dijen en de pootjes.Van een afstandje keek ik toe terwijl mijn handen de borstelige vacht aaiden.Het kunnen inkleden van een onderwerp met behulp van personificaties en door het gebruik van beeldelementen (dieren, planten, voorwerpen, kleuren) met een diepere betekenis maakte deel uit van het vakmanschap van schilder en dichter. Bron:Tijdschrift LiteratuurJaargang 5Amsterdam University Press, Amsterdam 1988[http://www.dbnl.org/tekst/_lit003198801_01/_lit003198801_01_0020.php DBNL - Digitale bibliothek voor de Nederlandse letteren]
Etymologie
*Afkomstig uit het Middelnederduits
Vertalingen
Engelsfur, hide, skin
DuitsFell, Pelz
Spaanspellejo, piel, vellón
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek