usurperen

/u.sur.ˈpe.rə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. toe-eigenen, onrechtmatig in bezit nemen, zich aanmatigen
    Vlaams minister-president Kris Peeters en zijn Waalse collega Rudy Demotte willen meer duidelijkheid over de usurperende bevoegdheden bij de uitwerking van de zoveelste Belgische staatshervorming.

Etymologie

*afgeleid van het Franse usurper ()

Vertalingen

Engelsoverpower, usurp
Fransusurper
Spaansusurpar