uniformrok

mannelijk (de)/ˈynifɔrᵊmˌrɔk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) onderdeel van de volgens voorschrift gelijke kleren die leden van een bepaalde groep dragen, bestaand uit kokervormig textiel dat om het middel over een deel van de benen hangend wordt gedragenDit is meestal bestemd voor vrouwen.
    De uniformrok gaf haar pezige benen genoeg ruimte om met grote passen naar de volgauto te lopen, die aldoor voor de poort had gestaan.
  2. kleding, verouderd (kleding) (verouderd) jasje dat de bovenkant van de broek op zijn minst van achteren bedekt, als onderdeel van een officiers- of ambtskostuumDit zijn meestal bestemd voor mannen.
    De heer van E… laat zich aandienen; de kolonel verwisselt het witte buisje, wat hij aan zijne schrijftafel droeg met zijn uniformrok, voorzien van epauletten en wacht van E. af.