umlaut
mannelijk (de)/ˈumlɑut/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (taalkunde) een trema dat in onder andere het Duits gebruikt wordt om aan te geven dat een klinker om grammaticale redenen een andere klank gekregen heeftJe was een paar umlautjes vergeten in je Duitse proefwerk.
- (taalkunde) een vorm van klinkerharmonie waarbij een klinker in de ene lettergreep veranderd wordt door een klinker in de volgendeDoor toevoeging van het achtervoegsel -ti aan „lang” is in het Nederlands het woord „lengte” ontstaan, omdat de i-klinker van -ti een umlaut van de a-klinker teweeggebracht heeft.
Etymologie
* Leenwoord uit Duits Umlaut, gevormd door Friedrich Gottlieb Klopstock (1724-1803) uit um ‘om, anders’ en Laut ‘klank, geluid’.
Vertalingen
Engelsumlaut, diaresis, umlaut
Franstréma, métaphonie
DuitsUmlaut, Umlaut
Spaansdiéresis, metafonía
Italiaansdieresi, metafonesi
Portugeestrema, metafonia
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek