uitzwaaien

/ˈœytswajə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) zwaaien bij iemands vertrek
    Maandagochtend nam ik de Thalys terug naar Parijs. Stan wilde de reis voor me betalen. Ik vond dat ik hem dat niet kon weigeren. Hij had zich zelfs ziek gemeld om me te kunnen uitzwaaien. {{Aut|Sandes, David