uitzoomen
/ˈœytsumə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (intr) wat je eerst zag kleiner maken, zodat er meer in beeld komt (met een camera of beeldscherm)
- (intr) (figuurlijk) aandacht geven aan het grote geheel
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘met een zoomlens het beeld verder weg brengen’ voor het eerst aangetroffen in 1973
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek