uitwijken

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) van richting veranderen om een obstakel te vermijden
    De automobilist was plotseling uitgeweken om een botsing met een overstekende ree te vermijden.
    Maar er lagen nogal wat versperringen en tijdens het rennen had hij naar rechts moeten uitwijken. In het begin had hij de lijn gevolgd die door de luitenant was uitgezet, maar met die fluitende kogels en granaten ga je uiteraard zigzaggen. {{Aut|Lemaitre, Pierre
  2. erga (erga) naar een ander land vluchten, veelal om politieke redenen
    Zij waren naar het buurland uitgeweken.
  3. (in België) emigreren; ook verhuizen naar een ander landsgedeelte in België

Vertalingen

Duitsausweichen, emigrieren, flüchten