Uitweg

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een weg die leidt uit een omsloten ruimte
    Het verzakte stuk omheining bood het vee een uitweg uit de weide.
  2. overdrachtelijk een manier om uit een benarde situatie te geraken
    Door zijn grote schulden zag hij gewoon geen uitweg meer.