uitvaren

/ˈœytfarə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) met een vaartuig een nauw water, zoals een haven verlaten
    Zij voeren de sluis uit.
  2. erga (erga) zijn zelfbeheersing verliezen en meer zeggen dan verstandig is
    Toen hij dat hoorde voer hij uit tegen haar dat de glazen er van rinkelden.
  3. archaïsch een uitvaart houden, naar het graf vervoerd worden

Vertalingen

Engelssail out, blow one's top