uitvallen

/ˈœytfɑlə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) niet langer functioneren
    De zender is opeens uitgevallen.
  2. erga (erga) verliezen van haar, naalden, bloembladen enz
    De kerstboom is al erg uitgevallen en kan beter maar opgeruimd worden.
  3. erga (erga) niet doorgaan van iets dat vooraf gepland stond
    Ik had vandaag eigenlijk zes lessen, maar één is er uitgevallen.
  4. erga (erga) in naar iemand ~: zich heftig en driftig naar iemand uiten, gedragen
  5. copl (copl) uiteindelijk worden
    De taart is een beetje groot uitgevallen, maar het komt wel op.
    Het gerechtshof in Amsterdam heeft Keith Bakker woensdag in hoger beroep veroordeeld tot achttien maanden cel voor het verkrachten van een minderjarig meisje. Het OM eiste eind juni zes jaar cel en tbs met dwangverpleging, maar de straf viel fors lager uit. Volgens het hof is bewijs voor dwang in de relatie niet gevonden.