uittrekken
/ˈœytrɛkə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) van je lichaam af halen, kleding afleggenHij had zijn jas uitgetrokken.Er viel as van mijn sigaret op mijn pantalon terwijl ik de naam van die stad uitsprak. Hij had het gezien en voordat ik kon protesteren, had hij een van zijn witte handschoenen uitgetrokken en wijdde hij zich met volledige aandacht aan het werkje om mijn broekspijp daarmee af te kloppen. Hij had magere, donkere handen.De naad in mijn onderbroek veroorzaakte zoveel pijn dat ik hem uittrok en die avond op het kampvuur ritueel verbrandde.
- (ov) uit iets anders trekkenOm die splinter uit te trekken kun je beter een pincet gebruiken.
- (ov) een kort overzicht maken vanHij had voor zijn examen een hele reeks boeken uitgetrokken.
- (ov) er tijd of geld voor beschikbaar stellenEr werd een week voor uitgetrokken.
- (ov) lostrekken, wegtrekken
- (erga) weggaan uitZe waren dat land uitgetrokken.
Vertalingen
Duitsausziehen, entkleiden, herausziehen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek