uitstellen

/ˈœytstɛlə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) naar een later tijdstip verschuiven
    De vergadering werd wegens de sneeuwstorm enige dagen uitgesteld.
    Ik kon het niet langer uitstellen of ontwijken, deze nacht zou ik eraan moeten geloven.
    Voor de achtste keer in een maand tijd is vandaag een zandstorm over Irak getrokken. Opnieuw kwam daardoor een deel van het dagelijks leven stil te liggen. In een groot deel van het land sloten luchthavens, universiteiten en overheidsdiensten noodgedwongen hun deuren. Ook schoolexamens zijn met een dag uitgesteld.

Uitdrukkingen

  • stel niet uit tot morgen, wat je vandaag kunt doen

Vertalingen

Engelsdelay, postpone
Fransremettre
Duitsaufschieben, hinausschieben, verschieben
Spaansaplazar, diferir, demorar