uitspraak

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈœytsprak/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. taalkunde (taalkunde) manier waarop iemand een woord, zin of taal ten gehore brengt of zou moeten brengen
    Je heet, je moet me de uitspraak niet kwalijk nemen, ging hij verder, nog steeds met diezelfde vreemde blik, je heet Eric Henri Oscar Lauritz Letang. En je bent Frans staatsburger.
  2. een woord of zin door iemand uitgesproken waarin een mening wordt geuit, bewering
    De wens van de coalitiepartners zal ongetwijfeld weer leiden tot een stevig gesprek. Dat gebeurde vorige week ook naar aanleiding van de uitspraken van Dijkhoff. Toen zei CU-voorman Segers na afloop: „We gaan vol goede moed verder, maar dit soort dingen moet niet te vaak gebeuren.” Reformatorisch Dagblad Gerard Vroegindeweij 21-1-2019[https://www.rd.nl/vandaag/politiek/het-knettert-in-de-coalitie-dankzij-reclameman-1.1542048 Het knettert in de coalitie dankzij reclameman]
  3. juridisch (juridisch) het uiten, bekendmaken van een oordeel in een rechtbank
    De uitspraak toonde volgens sommige analisten aan dat wie geld genoeg had om de beste advocaten in te huren, ongestraft een moord kon plegen [https://nl.wikipedia.org/wiki/O.J._Simpson Wikipedia (O.J._Simpson)]
    Daarmee schuift het hof het oordeel over het werk van de inspectie door naar de bestuursrechter in Amsterdam, die op 20 januari uitspraak doet over de rechtmatigheid van het optreden van onderwijsminister Arie Slob in de Haga-zaak.

Etymologie

*van Middelnederlands "utesprake", van "uitspreken", op te vatten als

Vertalingen

Engelspronunciation, statement, pronouncement
Fransprononciation
DuitsAussprache
Spaanspronunciación, condena, sentencia
Italiaanspronuncia
Russischпроизношение, выговор, высказывание
Chinees发音, 發音
Japans発音
Poolswymowa, wyrok